Overal Engels in Amsterdam: Jaap (77) vraagt zich af of we nog wel in Nederland zijn

Jaap, 77 jaar, is een echte Amsterdammer: hier geboren en groot geworden. Vroeger woonde hij in een stad waar je elkaar gewoon kon verstaan, waar de bakker je kende en waar Nederlands de normaalste zaak was. “Als ik nu door mijn eigen stad loop, voel ik me soms een toerist,” zegt hij. Niet door de drukte, maar door de taal. In winkels, cafés en zelfs bij de huisarts wordt hij steeds vaker meteen in het Engels aangesproken. “Alsof het vreemd is dat ik gewoon Nederlands spreek.”

Steeds weer overschakelen

Waar Jaap van baalt, is niet dat mensen Engels beheersen of willen gebruiken. “Dat is prima,” zegt hij. “Maar waarom is dat ineens de standaard?” Hij heeft het gevoel dat hij in z’n eigen land degene is die zich moet aanpassen. Een koffie bestellen, iets vragen in een zaak, zelfs een kletspraatje: het start steeds vaker in het Engels. “Ik ben 77, geen expat. Waarom ben ík degene die moet switchen?” Dat voelt voor hem als een omgedraaide rolverdeling. “De bezoeker gedraagt zich als de gastheer.”

Internationaal of gewoon onverschillig

Volgens Jaap hoor je dan steeds: Amsterdam is nu eenmaal een internationale stad. “Dat verhaal hoor ik al jaren,” zegt hij. Maar internationaal zijn betekent wat hem betreft niet dat je je eigen taal laat verdwijnen. “In Parijs spreek je nog steeds Frans, in Berlijn blijft Duits de toon voeren.” Hij snapt niet waarom wij in Nederland dat zo makkelijk loslaten. “Soms lijkt het alsof we onze taal zelf niet goed genoeg vinden.”

Niet anti-buitenlanders, wel pro Nederlands

Jaap benadrukt dat dit niet tegen buitenlanders is gericht. “Iedereen is welkom,” zegt hij. “Maar welkom zijn betekent ook dat je meedoet met de plek waar je terechtkomt.” Hij vindt het gek dat van nieuwkomers amper wordt gevraagd om Nederlands te leren, zeker in Amsterdam. “We praten over integratie, maar als zelfs de barista geen woord Nederlands spreekt, wat stelt dat begrip dan nog voor?”

Wat het doet met oudere generaties

Wat volgens Jaap vaak over het hoofd wordt gezien: niet iedereen voelt zich thuis in het Engels. “Voor jongeren is het de gewoonste zaak, voor mij blijft het een tweede taal.” Daardoor houdt hij vaker zijn mond. Minder vragen, minder praatjes, minder contact. “Taal verbindt,” zegt hij. “Als dat wegvalt, brokkelt ook een stukje gemeenschap af.” Dat raakt hem meer dan hij had gedacht.

Voor wie is de stad eigenlijk?

Jaap ziet Amsterdam veranderen in een stad die vooral mikt op expats, toeristen en internationale bedrijven. “De gewone inwoner lijkt bijzaak.” De huren schieten omhoog, het winkelaanbod verandert en zelfs de taal verschuift mee. “Alles gaat dezelfde richting uit.” Hij vraagt zich af voor wie de stad nog ingericht wordt. “Als je hier woont, werkt en belasting betaalt, wil je je toch gewoon thuis kunnen voelen.”

Doen alsof vreemd normaal is

Wat Jaap het meest steekt, is hoe snel dit allemaal normaal is gaan lijken. “Mensen halen hun schouders op.” Alsof het niet anders kan. “Maar alles wat ‘normaal’ is, is ooit een keuze geweest.” Volgens hem is het tijd om die keuze opnieuw tegen het licht te houden. “Niet uit hang naar vroeger, maar uit eigenwaarde.”

Aan het slot gooit Jaap de vraag op die hij zichzelf steeds vaker stelt en nu ook aan jou: is het werkelijk normaal dat je in je eigen hoofdstad automatisch Engels spreekt, of hebben we iets laten glippen dat je pas merkt als het verdwenen is?